Home GESCHIEDENIS
Na de 1e Wereld Oorlog werd op 28 oktober 1918 de onafhankelijke Tsjechische Republiek uitgeroepen. Tot president werd Tomas Masaryk (1850-1939) benoemd. Na tien eeuwen waren de Tsjechen en de Slowaken weer herenigd.
De onafhankelijkheid van Tsjecho-Slowakije zou van korte duur zijn. Duitsland keek begerig naar het oostelijk buurland waar enige miljoenen Duitsers woonden die sinds 1918 de Tsjechoslowaakse nationaliteit bezaten.
Na enige verwikkelingen bezetten de Duitsers Bohemen en Moravie en stichtten in 1939 het 'Protectoraat Bohemen-Moravie'. Slowakije werd een onafhankelijke Duitse satellietstaat. De bevolking vocht echter terug. Op 5 mei 1945 brak er in Praag nog een opstand uit tegen de bezetter. Vier dagen lang werd er nog gevochten tot dat op 9 mei de hoofdstad door de Russen werd bevrijd. Na de bevrijding werden de wandaden van de Nazi's vergolden met de uitwijzing van het grootste deel van de Duitse bevolking.

In 1946 werden er vrije verkiezingen gehouden, waarbij de Communistische partij als sterkste uit de bus kwam, Hun leider, Klement Gottwald kwam aan het hoofd te staan van een coalitieregering van socialisten, communisten en sociaal-democraten. In 1948 pleegde de Communistische Partij een staatsgreep en maakt van Tsjechoslowakije een volksrepubliek met Gottwald aan het hoofd.

Het aan de macht komen in 1968 van Alaxander Dubcek luidde een periode in van ongekende liberalisering. De nieuwe vrijheid staat bekend als de Praagse lente. De nieuwe leider stond een politiek voor waarin het respecteren van de mensenrechten en de democratie een belangrijke plaats innamen. De nieuwe koers ging gepaard met een overvloed aan cultuuruitingen die niet meer aan censuur onderhevig waren.
Dubcek's Socialisme met een menselijk gezicht was echter geen lang leven beschoren. De machthebbers van de socialistische broederlanden keken met afkeuring naar de gebeurtenissen in Tsjecho-Slowakije en op 21 augustus maakten de tanks van het Warschaupact een einde aan de zojuist verworven vrijheid.
Uit protest tegen de overval op zijn land pleegde de Praagse student Jan Palach in het openbaar zelfmoord door zich in brand te steken.

Vanaf 21 augustus 1988 vonden er regelmatig demonstraties plaats in Praag en in de buitenwijken die oogluikend werden toegestaan door de overheid.
Op 17 november 1989 begon in Tsjecho-Slowakije de 'Fluwelen revolutie' met massabetogingen in Praag en ook in andere steden.

Na een miljoenenstaking kwamen er op 10 juni 1990 (de eerste sinds 1946) verkiezingen waarbij het "Burgerforum" met 45% de absolute meerderheid in het parlement verwierf.
Op 1 juli 190 werd de visumplicht voor de Tsjechen en de buitenlanders opgeheven en op 21 februari 1991 werd de inmiddels Tsjechoslowaakse Federale Republiek als 25e lid opgenomen in de Raad van Europa.

Op 1 januari 1993 viel Tsjechoslowakije uiteen in twee staten: Tsjechië en Slowakije. Inmiddels was het duidelijk geworden hoe 40 jaar communistisch mismanagement Tsjecho-Slowakije op de rand van het faillissement hadden gebracht.
Om de Tsjechische economie levensvatbaar te maken binnen de kapitalistische westerse wereld was er maar een remedie mogelijk: invoering van een markteconomie en privatisering van het grootste deel van het Tsjechische bedrijfsleven.